Toekomst Nederlands softdrugs- en coffeeshopbeleid
In de weken vóór de gemeenteraadsverkiezing van 4 maart jongstleden heeft het Adviesburo aan vele panels deelgenomen met afgevaardigden van de politieke partijen met als thema het lokale softdrugs- en coffeeshopbeleid.
In de panels heeft het Adviesburo met onderstaande stellingen haar meningen ingebracht hoe dit beleid voor de naaste toekomst zowel verdiept als verbreed moet worden.
Het fenomeen van de coffeeshop is het beste instrument gebleken voor een succesvolle uitvoering van het scheidingsbeleid tussen soft- en harddrugs (in 1976 ingevoerd door Minister van Agt (CDA)).
Coffeeshops spelen naast dit scheidingsbeleid een belangrijke rol in het integratieproces tussen de multi-culturen, het geeft een ontmoetingsplek aan al diegenen die om meerdere redenen (ook religieuze) geen alcohol mogen of willen drinken.
Coffeeshops spelen een (in)directe rol in het beperken van het gebruik van harddrugs, zowel qua omvang, keuze van middelen, als intensiteit van gebruik. Het gebruik van de zogenaamde uitgaansdrugs (zoals XTC, cocaïne en speed) vindt in Nederland veel "softer"plaats dan in de ons omringende landen. Het is ook opmerkelijk dat de omvang van het heroïne probleem in aantal gebruikers in Nederland veel kleiner is dan in de rest van Europa en de VS (dit is uiteraard ook het resultaat van ons beleid van Harm Reduction voor verslaafden).
Coffeeshops houden zich (op incidenten na) massaal aan de AHOJ-G regels. Ze betalen belasting, creëren werkgelegenheid, verkopen cannabis in een niet-criminele omgeving, verkopen geen "vervuilde" wiet (Trimbos-onderzoek), enz.
Amsterdam is in de jaren negentig niet meegegaan in de landelijke trend van het massaal sluiten van coffeeshops. Het resultaat is dat Amsterdam over een uitgebreid netwerk aan kleinschalige coffeeshops beschikt. Het is deze kleinschaligheid wat de regering voor ogen heeft (zie hoofdlijnenbrief regering d.d. 11 september 2009).
Het verbod op coffeeshops nabij scholen is gestoeld op een veelheid aan ongenuanceerde beeldvormingen over dealers op schoolpleinen, dat scholieren tussen de lessen door massaal coffeeshops bezoeken, van extreem cannabisgebruik in de schoolbanken enz.
Het probleem van hangjongeren en magere leerprestaties van leerlingen tot schooluitval aan toe heeft niets te maken met de aanwezigheid van coffeeshops nabij scholen, maar alles met een (klein) deel aan die jongeren die om welke oorzaak dan ook moeite hebben met de moderne ontwikkeling naar vroegvolwassenheid , met de overdaad aan "prikkels" van de (consumptie)maatschappij en daarbij de neiging hebben te "vluchten in de wietwolken".
Het beperken cq terugdringen van overmatig cannabisgebruik (nb én alcohol) wordt niet bereikt met het sluiten van coffeeshops (en cafés) of andere repressieve maatregelen tegen het gebruik van cannabis onder jongeren (zoals het inzetten van drugshonden op scholen, het invoeren van drugs-sneltesten enz.).
Het terugdringen van dwangmatig cannabisgebruik verlangt een integraal jeugd- en jongerenbeleid, van het zorgdragen voor een geborgen thuissituatie, inspirerend onderwijs, perspectief voor goede banen en het bieden van ruimte voor uiteenlopende jeugd(sub)culturen in vrijetijdsbesteding, muziek etc.
August de Loor
maart 2010
Terug naar het nieuwsoverzicht