Stuur dit nieuwsbericht door

De tabakswet en coffeeshops

Naar aanleiding van het definitieve besluit van de regering (na overleg in de Tweede Kamer in juli en oktober 2007) om de Tabakswet voor de horeca ook toe te passen op coffeeshops, heeft het Landelijk Overleg van (lokale) Coffeeshopbonden (LOC) met onderstaande brief geprobeerd alsnog een uitzondering te bedingen. In de brief wordt uitgelegd dat de gevolgen van de Tabakswet voor coffeeshops, in feite rookhorecagelegenheden, veel ingrijpender is dan voor de natte horeca, waar het roken slechts een voor veel bezoekers hinderlijke bijzaak is. In een overleg op 10 januari 2008 met het LOC toonde de verantwoordelijke minister van VWS, de heer Klink, begrip voor de gevolgen van de Tabakswet voor coffeeshops zoals beschreven in onderstaande brief. Desondanks was hij niet van plan het besluit alsnog te herzien, zodat de invoering van de Tabakswet in juli 2008 als een volgende stap gezien moet worden in de geleidelijke afbraak van het Nederlandse coffeeshop- en softdrugsbeleid.

In het debat op 3 juli in de Tweede Kamer over de Tabakswet voor de horeca liet de minister van VWS, de heer Klink, op het einde van de beraadslagingen enig begrip blijken dat de invoering van deze wet voor een aantal nadelen voor de coffeeshopbranche kan zorgen. Hij gaf aan open te staan voor het bijstellen van het beleid mocht de wet ernstige hinder opleveren voor de bedrijfsvoering van coffeeshops.

Met deze notitie wordt uitgelegd dat de gevolgen van de Tabakswet verder gaan dan hinder in de bedrijfsvoering maar ook negatieve consequenties hebben voor de handhaving van de gedoogregels, voor onnodige spanningen zorgen tussen het personeel en de bezoekers en het leefklimaat in de directe omgeving van coffeeshops. Dit gebeurt op basis van de drie modellen die de minister in het overleg op 3 juli suggereerde hoe volgens hem de wet in de coffeeshopbranche ingevoerd kan worden.

Alvorens hier op in te gaan is het zinvol een kort commentaar te geven op de waarschuwingen van vooral de woordvoerders uit de reguliere horeca als zou een uitzondering van de Tabakswet voor coffeeshops deze aantrekkelijk maken voor tabaksrokers. Er is echter geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat bezoekers die in cafés geen sigaretten mogen roken zullen uitwijken naar coffeeshops. Voorop staat dat de cafébezoeker het in een coffeeshop zonder alcohol moet stellen. Daarnaast staat het roken in coffeeshops in het teken van cannabis, waarvan alleen al de geur menig tabaksliefhebber uit cafés niet aanspreekt waarbij hij of zij zich ook nog zeer opgelaten zal voelen om nee te zeggen tegen de gewoonte onder veel bezoekers van coffeeshops om de joint met elkaar te delen.

Het eerste model dat de minister oppert is dat de eigenaar zijn coffeeshop beperkt tot louter een loket voor de verkoop van cannabis, waarbij de horecafunctie wegvalt.
Ten eerste staat dit model op gespannen voet met de landelijke richtlijnen van het Openbaar Ministerie voor het lokale gedoogbeleid van coffeeshops.
De achterliggende gedachte hierbij is dat met louter een loket zowel de handhaving van de gedoogregels voor coffeeshops als de controle door de lokale overheid ernstig bemoeilijkt wordt.
In de huidige situatie van én een horeca- én een verkoopfunctie heeft het horecapersoneel toezicht op het dagelijkse reilen en zeilen van de verkoop van cannabis. Bij louter een loket staat de verkoper er alleen voor en moet dan beschermd worden achter glas en cameratoezicht op zowel het loket, de wachtkamer als de directe omgeving buiten. Met dit model is de eigenaar genoodzaakt zijn personeel om te scholen tot bewakingspersoneel voor het beschermen van de verkoper, het toezicht houden op de wachtkamer en de straat. Door het wegvallen van het horecagedeelte zal het op de beurt wachten bij de verkoper zich naar de wachtkamer verplaatsen met meer kans op groepsvorming op¨straat en overlast in de buurt. De praktijk leert dat vooral door de horecafunctie van coffeeshops hoegenaamd geen overlast ontstaat omdat deze bezoekers hun favoriete ontmoetingsplaats niet willen verliezen. Deze betrokkenheid met hun favoriete shop zorgt ervoor dat daar een corrigerende werking vanuit gaat ook naar de klanten die alleen maar langskomen om cannabis te kopen. Bij het wegvallen van het horecagedeelte valt deze corrigerende werking weg dat op geen enkele manier gecompenseerd kan worden met camera's, bewakingspersoneel enz. Integendeel van dit soort controle gaat meestal een polariserende werking uit.

Het tweede model dat de minister suggereert is dat coffeeshops naast het loket de rest van de ruimte als rookvrije ontmoetingsplek kunnen inrichten waar koffie, thee of andere versnaperingen geserveerd worden.
De minister beseft blijkbaar niet dat dit model, op het loket na, niet afwijkt van gewone koffiehuizen waarvan er in iedere stad al voldoende zijn. Kortom dit model van coffeeshops heeft hoegenaamd geen bestaansrecht. Maar ook in andere opzichten zal dit model een kort leven leiden.
Door de ontwikkelingen van het algemene anti-tabaksbeleid in openbare gebouwen met in het kielzog steeds meer horecagelegenheden verplaatst het roken van tabak zich steeds meer naar het terras of de straat. In tegenstelling tot tabak roept het buiten roken van cannabis meer weerstand op en is dit soms zelfs verboden. Door het wegvallen van de horecafunctie zal ook rond de verkooppunten van cannabis het roken van cannabis toenemen wat voor de buurtbewoners aanleiding zal zijn hiervoor de coffeeshopeigenaar verantwoordelijk te stellen. Wat daar de gevolgen van zijn laat zich raden. De schattingen van het gebruik van cannabis in Nederland lopen uiteen van 500 tot 700.000 consumenten. Bij het wegvallen van de horecafunctie van coffeeshops zal een groot gedeelte van deze consumenten aangewezen zijn op het roken van cannabis in de huiselijke omgeving. Het moet duidelijk zijn dat aan deze ontwikkeling vele nadelen kleven. Tenslotte zal een groot aantal consumenten uitwijken naar de zogenaamde huisadressen waar het wel mogelijk is om cannabis te roken. Op deze adressen ontbreekt het aan enig toezicht, aan voorlichting en kunnen consumenten in aanraking komen met andere middelen zoals harddrugs.

Het derde model dat de minister suggereert is dat coffeeshops analoog aan de reguliere horeca aparte rookruimtes creëren waarbij het personeel de bediening verzorgt vanuit het rookvrije gedeelte.
Op het eerste gezicht lijkt dit model de minste nadelen op te leveren voor zowel de eigenaar als de bezoekers. Bij nadere bestudering blijkt dit model ook de nodige problemen te geven.
Ten eerste is een relatief groot percentage coffeeshops wegens een geringe omvang niet in staat een aparte rookruimte te creëren. Veel coffeeshops zijn namelijk gevestigd in oude stadscentra van (middel) grote steden in panden met weinig vloeroppervlakte. Deze concentratie in de binnensteden is mede beïnvloed door het lokale beleid van het weren van coffeeshops in de woonwijken en een zeer stroef spreidingsbeleid. In tegenstelling tot de ‘natte' horeca waren coffeeshops jarenlang niet onderworpen aan allerlei regels en voorschriften zoals een minimale vloeroppervlakte van het horecagedeelte. Het gevolg is een groot aantal kleine coffeeshops die daardoor onmogelijk een aparte rookruimte kunnen creëren. Met de invoering van de Tabakswet zijn de eigenaren van deze coffeeshops genoodzaakt hun zaak terug te schroeven tot een loket waarvan de problemen hierboven al zijn genoemd.
Ten tweede komt een aparte rookruimte de sfeer in de coffeeshop niet ten goede. De reguliere service voor de bezoeker wordt gehinderd door een afgesloten ruimte waar het personeel niet mag komen. Het zorgt voor irritatie naar het personeel, van ruzie als er toch gerookt wordt in het rookvrije gedeelte, onenigheid of de inhoud van een joint nou wel of geen tabak bevat enz.
Het personeel kan van zijn kant alleen maar op een indirecte manier van achter glas of via camera's toezicht houden op¨de rookruimte waardoor stiekem gedrag van de bezoekers in de hand gewerkt wordt of andersom dat het personeel verkeerde waarnemingen pleegt.
In het kort komt het erop neer dat met de scheiding tussen een rookvrije en een rookruimte niet alleen een geforceerde sfeer in een coffeeshop ontstaat maar ook de ongedwongen controle van de huisregels verdwijnt. Het is daarom niet toevallig dat vanuit veel leden aan (middel) grote steden van de Vereniging van Nederlandse Gemeentes (VNG) veel bezwaren komen tegen een aparte rookruimte in coffeeshops waarbij er vooral op gewezen wordt dat dit ten koste gaat van de handhaving en controle van de AHOJ-G regels door de lokale overheid.
In de discussie in de Tweede Kamer over de Tabakswet voor coffeeshops is er onvoldoende besef dat coffeeshops een belangrijke, zo niet sleutelrol vervullen in het Nederlandse beleid van het scheiden der markten tussen soft- en harddrugs. Bij nadere bestudering levert de coffeeshop een belangrijke bijdrage aan het bereiken van de doelstellingen van dit beleid.
Nederland is het enige land in de wereld waar verkoop en gebruik van cannabis niet gecriminaliseerd is; dit brengt een aantal inherente voordelen met zich mee: in de coffeeshops zijn de producten van goede kwaliteit en onderlinge concurrentie houdt de prijzen in toom. Het is vooral de horecafunctie van coffeeshops waardoor het gebruik van cannabis een openlijk karakter behoudt en ‘harmreduction' door middel van voorlichting en sociale controle mogelijk wordt. Juist in de ongedwongen sfeer van de coffeeshop kan het personeel een belangrijke toezichthoudende en voorlichtende rol uitoefenen. Een verstoring van deze ongedwongen sfeer zoals het plaatsen van aparte rookruimtes, camera's en bewakingspersoneel, zal afbreuk doen aan deze "natuurlijke" invloed van het horecapersoneel op de bezoekers van coffeeshops. Ook zal een aantasting van de ongedwongen sfeer een nadelige invloed hebben op de klanten onderling. Dit terwijl de coffeeshops de afgelopen decennia juist ingeburgerd zijn geraakt als een van de weinige alcoholvrije (maar niet rookvrije) ontmoetingsruimten voor uiteenlopende bezoekers in leeftijd, sociale klassen en etniciteit.

In het debat in de Tweede Kamer benadrukte de minister dat het "niet de bedoeling is om het huidige gedoogbeleid voor coffeeshops via een U-bocht van het rookvrij maken van de horeca te ondermijnen".
Met deze notitie wordt duidelijk dat het resultaat van de invoering van de Tabakswet wel degelijk een ondermijning van het Nederlandse coffeeshopbeleid betekent. Er is voldoende aanleiding om alsnog een uitzondering toe te staan van deze wet voor coffeeshops.

Ter voorbereiding van deze notitie heeft er een kleine telefonische enquête plaats gevonden bij een aantal coffeeshopeigenaren verspreid over Nederland. Het leverde een aantal uitspraken op die een beeld geven hoe er binnen de branche over de Tabakswet gedacht wordt en waarom coffeeshops hier niet van uitgezonderd worden.

• Roken in cafés is bijzaak, in coffeeshops hoofdzaak. Alleen al daarom is een uitzondering van de Tabakswet voor coffeeshops gerechtvaardigd.
• Het verschralen van de horecarookfunktie van coffeeshops doet afbreuk aan de sociale binding met onze klanten met alle gevolgen van dien.
• De coffeeshop is een van de weinige (niet-gesubsidieerde) ontmoetingsplekken waar alcohol geen hoofdrol speelt, in het huidige licht van overmatig alcohol gebruik en alle daaraan verbonden problemen geen onbelangrijk aspect.
• Het recreatief genieten van een joint in een coffeeshop is te vergelijken met het heffen van het glas in een café. De regering haalt het niet in z'n hoofd om dit laatste aan allerlei regels en beperkingen te onderwerpen. Ten aanzien van het roken van cannabis draaien ze daar hun hand niet voor om.
• Een coffeeshop is de enige horecagelegenheid waar met en onder elkaar cannabis gerookt kan worden. Elke beperking van die mogelijkheid heeft het risico van het ontstaan van ongewenste bijeffecten.
• Coffeeshops vormen een belangrijke leerschool hoe om te gaan met het gebruik van cannabis. Een scheidingswand tussen rokers en niet-rokers is te vergelijken met een klas waar de leerlingen op de gang staan.
• In cafés is het primaire doel het drinken van alcohol, in restaurants lekker eten, beide in een gezellige sfeer. De niet rokende bezoeker wordt daarbij ongevraagd geconfronteerd met de hinder van rokers. In coffeeshops is het primaire doel het nuttigen van rookwaar/cannabis. In een dergelijke omgeving is er geen sprake van tegengestelde belangen tussen rokers en niet rokers.
• Het succes van het Nederlandse scheidingsbeleid tussen soft- en harddrugs mag toch niet gestoord worden voor het beschermen van het horecapersoneel van coffeeshops tegen tabaksrook?
• Door het beperken van de ongedwongen sfeer van het roken van cannabis in coffeeshops zal het aantal huisdealers stijgen waar wel gerookt mag worden.

LOC, Landelijk Overleg Coffeeshop-bonden,
ABC (Breda)
Achterdeur (Tilburg)
BCD (Amsterdam)
PCN (Landelijk)
VOCM (Maastricht)
VRCO (Rotterdam)
Met dank aan August de Loor, Advies Buro Drugs, Amsterdam

Terug naar het nieuwsoverzicht